U bevindt zich hier: Milieu Vakantie uittocht

Het volgend verhaaltje heb ik omstreeks 1976 geschreven, in de tijd dat files nog niet dagelijks de mobiliteit verstoorden....

Een lange rij veelkleurige auto’s beweegt zich langzaam vooruit. Allen zwaar bepakt of voor een caravan gespannen. De vele motoren tezamen geven een laag gonzend geluid. De remlichten gaan aan en uit. Af en toe doorklieft het geluid van een claxon de lucht. Zeker veroorzaakt door een ongeduldige automobilist die in de stellige mening verkeert dat hierdoor de duizenden wielen weer sneller om hun middelpunt zouden gaan wentelen.

Het is vakantietijd. Een ieder is op weg naar zijn vakantiebestemming, maar allen tezamen vormen ze een bijna totale evacuatie. De wegen zijn niet berekend op een zo massale uittocht van ongeduldige vakantiegangers. Toeterend, in zichzelf of hardop scheldend, gevaarlijke inhaalmanoeuvres plegend en met overbeladen wagens rijdend, zo poogt iedereen heelhuids zijn eindbestemming te bereiken. Een bestemming die liefst zo ver mogelijk wordt gezocht.

Het gevolg van deze plotselinge ontspanningsdrift openbaart zich in kilometers lange files. De vele motoren raken oververhit en het zachte geluid gaat in de oren van de bestuurders over in een ondraaglijk gedreun. Koppelen, gas geven, remmen, ontkoppelen, snelheid meerderen om meteen weer te moeten stoppen, dat zijn de handelingen die de file rijders humeurig maken. Weer valt menig vloekwoord.

En dan, plotseling, vliegen aan beide zijden van de bijna stilstaande wagens vele schimmen. Schimmen van smalle, ranke voertuigen, geruisloos voortbewegend en in vele verschijningsvormen. De automobilist zal op dit moment enige jaloezie koesteren voor de bestuurders van die ranke voertuigen. Hij zal ze benijden om hun snelheid, hun ongevoeligheid voor verkeersdrukte, hun geruisloosheid, hun eenvoud, hun zuinigheid en misschien wel zelfs om hun afgelegde afstanden.

De bestuurders van deze voertuigjes hebben geen weet van de problemen van de automobilisten, ze fietsen gewoon door.